De stadswal
In de richting van de Koepelstraat was nog een klein gedeelte van de aarden stadswal zichtbaar, een indrukwekkende kunstmatig opgeworpen wal van zand en leembrokken, die de volledige straatbreedte in beslag nam inclusief de huizen aan de noordzijde van de straat.
Nog juist was de ’teen’ van de wal te zien, met dezelfde hellingshoek als de grachtkant.
Net als in de Kloosterstraat is het ook hier moeilijk om de precieze hoogte van de aarden wal te reconstrueren. Geschat wordt een hoogte van vier meter. Er stond naar alle waarschijnlijkheid een houten pallissade bovenop.

In het begin van de 14de eeuw werd in het tracé van de wal een stenen muur gebouwd, die gedetailleerd werd weergegeven op de kaart van Jacob van Deventer.
Op basis van deze kaart zou de muur ter hoogte van de stoep van de Koepelstraat gelopen hebben en dus gebouwd moeten zijn op de overgang van de wal naar de gracht. Dit is ook de meest logische plaats, omdat het zandlichaam van de kunstmatig opgeworpen wal een veel minder solide fundering bood dan de oorspronkelijke ondergrond en de muur op deze manier van binnenuit extra bescherming kreeg (4).
Helaas is er binnen de opgravingsput geen spoor van een stenen muur teruggevonden. Wel werden er in de gracht steenresten gevonden die mogelijk van de (deels) afgebroken stadsmuur afkomstig waren.

De ouderdom van de wal
Tot grote verrassing bleek de aarden wal niet te zijn opgeworpen op een nog ’maagdelijk’ en ongerept terrein, maar op een oude akker, precies zoals dat ook in de Kloosterstraat het geval was.
Aan de zijde van de Koepelstraat werd een 60 centimeter dik pakket van zwarte teelaarde gevonden dat was ontstaan door jarenlange bemesting met stalmest, vuil en heideplaggen. Dankzij de vele scherfjes die erin zaten kon de akker gedateerd worden in de 12de en het begin van de 13de eeuw.

In de 13de eeuw was het beboeren abrupt gestopt en had men een klein walletje van heideplaggen gebouwd, een zogenaamde ’tuinwal’. Die tuinwal diende om vee, mogelijk schapen, bijeen te houden.
We zien in feite op deze plaats precies dezelfde ontwikkeling als op het terrein in de Kloosterstraat: een oud akkergebied aan de rand van de voorstedelijke kern van Bergen op Zoom, in gebruik in de 12de eeuw en de eerste helft van de 13de eeuw, werd rond het midden van die eeuw omgevormd tot een weide die met tuinwallen in percelen was verdeeld.
In de tweede helft van de 13de eeuw volgde de aanleg van de cirkelvormige stadswal, waarbij aan het agrarisch gebruik definitief een einde kwam.

De vondst in de Koepelstraat bevestigde dus de eerder geschetste ontwikkeling. Helaas kon ook hier de datering van de oudste wal niet preciezer bepaald worden dan de periode 1275-1300. 

De grachtvulling
De roerige jaren zeventig en tachtig van de 16de eeuw, gevolgd door het beleg van de stad van Spaanse zijde in 1588, leidden tot noodzakelijke verbeteringen aan de vestingwerken.
Na de bouw van enkele schanzen en bolwerken aan de poorten volgde op het einde van de 16de eeuw de aanleg van diverse bolwerken aan de lange onbeschermde delen van de stadsmuur.

In 1597 gaf de stad opdracht tot het opwerpen van het Belvedère bolwerk in de Capelvest tussen de kruittoren nabij de Gevangenpoort en de Bospoort.
Het bolwerk werd in 1610 zowel Bellevedère als Handboogpunt genoemd, naar het Handboogschuttershof bij de Lindebaan. Het was zoals de andere werken uit die tijd geheel in aarde opgetrokken. 
Van Coehoorn vormde het bolwerk na 1700 om tot het bastion Belvedère, onder meer door vergroting en de bouw van stenen flankmuren. Het opgravingsterrein lag precies in het midden van het voormalige bolwerk of bastion.

Bij de opgraving is gebleken, dat de gracht in één keer werd volgestort met schoon zand, puin en scherven.
Deze tekenden zich als dikke lagen af in de doorsnede.
Vermoedelijk werd eerst vanaf de landzijde schoon zand in de gracht geschoven en daarna vanaf de stadszijde het puin. De massaliteit van de lagen baksteenpuin, dakpannen en potscherven wijst op het opruimen van verwoeste en deels gesloopte huizen in de stad.
Volgens de predikant Jacobus Baselis waren er in de periode 1579-1590 meer dan 500 huizen verwoest, door oorlogshandelingen en door soldaten, op zoek naar brandhout en bruikbare metalen. De demping van een stuk gracht bood waarschijnlijk een goede gelegenheid om een deel van de rommel weg te werken. Ook de vele fragmenten van kapot huisraad (aardewerk, majolica, steengoed en dergelijke) passen in het tijdvak 1575-1600.
Een opvallende vondst is een fragment van een vloertegeltje, afkomstig uit de kapel van het Markiezenhof. Binnen de stortlagen werd ook een grote concentratie van pottenbakkersafval gevonden. Zelfs de pottenbakkers hadden deze kans aangegrepen om hun overtollige materialen kwijt te raken.

 


Naar de vorige pagina

Terug naar het begin van deze pagina

Naar de volgende pagina

Deze pagina's zijn het beste te bekijken in 1024*768. Laatste wijziging op 17-12-2005. Webmaster vanderkallen@home.nl