Het zuidelijke muurvlak
Te beginnen met de voorstelling rechtsboven op de zuidelijke wand: we zien een rechthoekig zuilbasement met afgebroken gecannelleerde zuil, waartegen een gevleugelde engel (een zogenaamde ’putto’) met blauwe cape geleund staat.
In zijn handen heeft hij een uitgerolde tekening vast.
Naast hem op de grond zit een putto met rode cape, die een dik pak met tekeningen omklemt. Op het bovenste vel lezen we het opschrift ’l’architecture’ in kapitalen.
Rondom de putti liggen allerlei attributen zoals een kist met rollen papier, maatstokken, een gradenboog en een krompasser. De hele scène is omcirkeld en heeft een roze-gele achtergrond.
Buiten het cirkelveld zijn in de hoeken bloemen en bladeren geschilderd.

Overduidelijk gaat het hier om een allegorie of uitbeelding van de architectuur als een van de wetenschappen. 

Het westelijke muurvlak
Rechts naast de verdwenen schouw is een landschap weergegeven met hoge bomen waarin rechts op de voorgrond een huis met zadeldak staat.
Links van het huis zien we een scene van enkele personages tenmidden van korenschoven.
Een soldaat in rode tuniek en lange sabel in zijn linkerhand knielt bij een man of jongen die tot zijn middel in een kuil lijkt te staan en zijn handen in een smekend gebaar gevouwen heeft.
Het hoofddeksel van de soldaat ligt vlak voor hem op de grond.

Links van hem staat een vrouwenfiguur, waarvan helaas alleen maar de onderkant van de mantel bewaard is.
Rechtsachter zien we een andere soldaat met zwarte muts en schoudertas en een vrouw in blauwe mantel en witte hoofddoek De vrouw zwaait een bezem hoog boven haar hoofd, alsof ze de knielende soldaat wil slaan.
De soldaat houdt de bezem met zijn ene hand tegen, terwijl hij met zijn andere hand de vrouw bij haar borsten grijpt.

In de opening van het bovenraam van het huisje is nog juist een kind zichtbaar, dat met zijn hand het touw van het hijsrad, dat tegen de topgevel gemonteerd zit, naar binnen trekt.

De betekenis van deze scene is niet helemaal duidelijk, maar lijkt iets weer te willen geven van een plundering van een boerderij door (Franse?) soldaten.
Misschien staat de persoon met de gevouwen handen op het punt geëxecuteerd te worden en probeert de vrouw dat te verhinderen.

Stonden de gruwelen van een oorlog model voor deze schildering?
Gaat het misschien om de inname van de stad in 1747, of de inval van de Fransen in 1795?
Het valt niet meer te achterhalen of een dergelijk thema ook terugkeerde op de andere drie voorstellingen. 

Beschilderde interieurs
Het aanbrengen van schilderingen in pronkkamers, vaak in series van gelijke grootte rondom de haard, was niet ongebruikelijk bij rijke stedelijke woonhuizen en buitenverblijven in de 18de eeuw.
Dergelijke schilderingen werden doorgaans op gespannen doeken aangebracht, niet op de pleister van de muur zelf.

Hoewel de werken in de Bonte Os duidelijk teruggrijpen op het klassicisme van de 18de eeuw, wijzen de techniek en stijl van de voorstellingen op een later tijdstip van ontstaan, namelijk de 19de eeuw.
Er zijn helaas vrijwel geen parallellen voor de schilderingen te vinden. In Amsterdam waren aan het einde van de 18de en in het begin van de 19de eeuw de werken van Jurriaan Andriessen erg beroemd en de wanden in de Bonte Os doen hier nog vaag aan denken.

In 1990 werd in de voorkamer van de ’Balanche’ (Fortuinstraat 3) ook een muurschildering gevonden.
Deze was echter met olieverf opgezet en ook heel anders van voorstelling. Hij werd in de tweede helft van de vorige eeuw gedateerd.

Op basis van de stijl en techniek kunnen de wandschilderingen van de Bonte Os in het begin van de 19de eeuw worden gedateerd.


Naar de vorige pagina

Terug naar het begin van deze pagina

Naar de volgende pagina

Deze pagina's zijn het beste te bekijken in 1024*768. Laatste wijziging op 17-12-2005. Webmaster vanderkallen@home.nl