|
|
De oudste bewoning
Vlak voor de hoofdingang van huize Sint Catharina werden enkele scherven
gevonden, die waarschijnlijk dateren uit de IJzertijd (ca.700 voor Chr. tot het
begin van de jaartelling) en uit de 11de of 12de eeuw.
Het zijn losse vondsten waarvan de exacte herkomst niet bepaald kon worden. Het
is niet uit te sluiten dat aan de rand van het veenmoeras, bedekt door het
stuifzand, resten van oude bewoning aanwezig waren. Dit kon hier helaas niet
verder onderzocht worden.
Duidelijke sporen van menselijke
bewoning op de latere Vismarkt dateren uit de tweede helft van de dertiende
eeuw.
Er werd begonnen met de bouw van eenvoudige houten huisjes. De oudste hiervan
rustten vermoedelijk op zware in de grond ingegraven palen, waarvan in de
onderste leef lagen echter geen sporen werden waargenomen.
De latere huizen werden gefundeerd op ingegraven muurtjes van baksteen, vaak
twee - of driesteens dik. Een laagje aangestampte leem diende als vloer.
Dergelijke huizen bestonden uit een star skelet van houten balken, waarvan de verticale
elementen de meeste druk opvingen.
Deze werden verankerd op zware liggers (’voetplaten’) van hout, die op de
stenen muurtjes werden gelegd. De totale druk van het huis werd op die manier
gelijkmatig verdeeld over een relatief zwakke stenen fundering.
Deze houtskeletbouw is als overgangsvorm naar volledige verstening van het woonhuis
typerend voor de veertiende eeuw.
Overal op de Vismarkt werden
baksteenfunderingen in de rioolsleuven aangesneden.
Hier en daar waren ze direct op of in het stuifzand aangelegd (zie het profiel
van put 2), elders was het zwakke stuifzand deels weggegraven en opgevuld met
een vleilaag van compacter zand en afval. Het loopniveau bij deze bewoningsfase varieerde
van 4.75 meter tot 7 meter boven NAP: dat is ruim een meter onder het huidige
maaiveld.
Op sommige plaatsen was goed te zien hoe de vloeren van de huizen, aangelegd op
een dikke laag zand vermengd met afval, periodiek opgehoogd werden door het
storten van een nieuwe laag zand en een nieuwe leemlaag. Het huishoudelijke
afval in al deze lagen bestond uit aardewerkfragmenten, dierlijke botresten en
zeer veel fragmenten van daktegels. Deze
laatste wijzen erop dat de relatief simpele
houten huizen in de regel toch een stenen dak gehad hebben (vanwege het
brandgevaar).
Het afval dateerde voornamelijk uit het tweede en derde kwart van de veertiende
eeuw, grofweg de periode tussen 1325 en 1375.
Het scherfmateriaal betrof veelal
rood - en grijsbakkend aardewerk van Bergse origine en in mindere mate vroeg
steengoed uit het Rijngebied.
Alleen de onderste vleilagen, zoals in put 5 en 6, bevatten materiaal uit een
voorgaande bewoningsfase, zoals niet geheel gesinterd en gemagerd steengoedachtig
scherfwerk (’protosteengoed’) uit de late 13de eeuw, blauwgrijs
importaardewerk en keihard gebakken grijs aardewerk dat recentelijk ook bij het
Maartensgasthuis werd gevonden.
Een waterput
Aan de noordpunt van het plein werd een ruim 10 meter diepe waterput ontdekt met
een diameter van ongeveer 1.70 meter.
Voor de aanleg was een grote kuil gegraven. De relatie van die kuil met de
overige lagen en de bijbehorende vondsten duiden op een datering van de waterput
in de veertiende eeuw.
Het gaat hier heel waarschijnlijk om de put die in een rekening van omstreeks
1412 wordt aangeduid als ’liggende op de Vijfhoek’.
|
|
||
|
Deze pagina's zijn het beste te bekijken in 1024*768. Laatste wijziging op 17-12-2005. Webmaster vanderkallen@home.nl |
||