|
|
Een typisch geval van brandschade...
Tijdens de opgraving achter het voormalige
NMB-bankgebouw op het Zuivelplein in 2000 werden op de achterplaats, grenzend
aan de Koevoetstraat, de resten van een huis opgraven dat lang geleden ten prooi
was gevallen aan een brand.
Dit huis, waarvan de naam niet bekend is, was op het einde van de 13de of in het
begin van de 14de eeuw gebouwd en was ongeveer 15 meter lang.
Een deel van de zijmuren lag onder de nieuwbouw van de viswinkel aan de Parade.
De indeling was simpel: een klein voorhuis en
een groter achterhuis met (waarschijnlijk) de keuken.
Vermoedelijk bestond het huis uit een houten skelet op een bakstenen fundering,
hoewel het niet is uitgesloten dat er volledig stenen zijmuren waren.
Er was geen kelder, waardoor juist de oude sporen goed bewaard waren gebleven.
De blootgelegde funderingen en lemen vloeren vertoonden de duidelijke sporen van
een hevige brand. De vloer was bedekt met een laag houtskool en verkoolde
balken, de leem was door de hitte gebakken en overal lagen brokken van de lemen
wanden. Tegen de noordelijke wand van het achterhuis werd bij het blootleggen
van de vloer een verzameling huisraad gevonden, bestaande uit kookpotten (grapen),
een kom, een kannetje en een nog onbekend voorwerp.
Het bijzondere hieraan is, dat het dit keer huisraad is, dat nog gewoon op zijn
plek stond in het huis en niet uit een beerput of afvalkuil komt.
Het aardewerk stond ten tijde van de brand in een rijtje tegen de muur. Er is
geen aanleiding om te veronderstellen dat het van een kastplank af is gevallen.
Het gebeurt niet vaak dat op deze manier
voorwerpen uit het dagelijkse leven in situ worden gevonden.
De beste voorbeelden blijven natuurlijk Pompeď en Herculaneum, waar de tijd
letterlijk stil is blijven staan na de uitbarsting van de Vesuvius.
De voorwerpen in het huis dateren uit het eerste
kwart van de 15de eeuw.
De verwoesting van het huis is niet veroorzaakt door de bekende stadsbrand van
1397. Wel kan de stadsbrand van 1444 in aanmerking komen.
Toch blijft dit een veronderstelling, want het kan immers ook gaan om een
incidenteel geval, een onfortuinlijke brand in de keuken van een enkele woning.
Op de rest van het terrein werden geen
brandsporen meer ontdekt.
Een van de voorwerpen stelt ons voor een
raadsel.
Het is een rood aardewerken pot in de vorm van een voorraadvat met twee
opvallende zware oren (een ervan ontbreekt en was misschien al voor de brand er
af gebroken) en een bolle bodem zonder poten of standring, waarin in een later
stadium een gaatje in was geboord (zie foto's).
Het is niet duidelijk waar deze pot voor gediend heeft. We hebben nooit eerder
een dergelijk voorwerp gevonden.
Het lijkt alsof het gemaakt is om te kunnen drijven. Uit de Griekse en Romeinse
periode zijn potten bekend waarin wijn werd gekoeld, door ze in een grote bak
met koud water te laten drijven.
Het kan ook een kookpot of waterketel zijn geweest die op een standaard moest
worden gezet.
Tot nu toe is het niet gelukt om een soortgelijk object te vinden in publicaties
van vondsten uit andere steden.
Het vreemde is ook het secundaire gaatje in de bodem, wat zou kunnen wijzen op
een tweede gebruik als bloempot. Maar dat is weer opmerkelijk temidden van
kookpotten in de keuken, of het moet zijn dat er een of ander kruid in werd
gekweekt, zoals bieslook. De speurtocht naar parallellen gaat nog voort.
De voorwerpen zijn in de brand aangetast en in
stukken uiteengebarsten.
Dat ze toch nog bewaard bleven, is te danken aan het feit dat het huis werd
hersteld en voorzien van een nieuwe vloer op een afdekkende onderlaag.
In die staat is het huis in de tweede helft van de 15de eeuw eigendom geworden
van het aangrenzende pand “Schotland” en nog weer later zou het dienst gaan doen
als paardenstal. Aardig detail is nog dat onder de zijmuur van het verbrande
huis een 13de eeuwse greppel werd gevonden, het oudste verkavelingsspoor op het
terrein. In deze greppel zat ook Romeins aardewerk.
Rectificatie:
(Stadsarcheoloog Marco Vermunt)
In de Nieuwsbrief van december 2003 onder de kop
"Een typisch geval van brandschade..." wordt een van de voorwerpen, afkomstig
uit het verbrande huis van de opgraving “Schotland” in 2000, besproken.
We schreven dat de rood aardewerken pot ons voor een raadsel stelde.
Zo'n groot raadsel was het dus niet, want een
werkelijk identieke pot werd beschreven door Anton Bruijn in “Pottersvuren langs
de Vecht, Aardewerk rond 1400 uit Utrecht” (uitgegeven als Rotterdam Papers deel
3, 1979).
Deze studie gaat over een grote vindplaats van pottenbakkersafval uit de vroege
15de eeuw, afkomstig van de Hogelanden, even ten noorden van de stadskern van
Utrecht. Het Utrechtse voorwerp was indertijd al direct bestempeld als een
bijzonderheid en niet bekend van het gebruikelijke huisraad. De binnenzijde was
bedekt met een grijze laag, die chemisch werd geanalyseerd. Het bleek te gaan om
loodoxide.
Bruijn veronderstelde dat de pot gebruikt was om gemalen loodoxide te vermengen
met kleipap, waarmee de pottenbakker het rode aardewerk kon glazuren. Het
loodoxide werd gemaakt door lood te smelten en flink te verhitten, zodat een
donker oxide boven kwam drijven. Dit schepte men er af totdat al het lood was
omgezet in oxide. De korrelige stof werd dan in een mortier vermalen.
De bolle pot met de smalle opening was blijkbaar goed geschikt voor het
vermengen van het poeder met de kleipap. Hiermee hebben we een van de oudste
gebruiksvoorwerpen van de Bergse potmakers teruggevonden.
Zoals ik eerder schreef, was er een gaatje onder in de pot gemaakt. Vermoedelijk
had de pottenbakker het ding afgedankt omdat er al een oor was afgebroken. De
pot kreeg een tweede leven als bloempot, misschien inderdaad voor een of ander
tuinkruid.
|
|
||
|
Deze pagina's zijn het beste te bekijken in 1024*768. Laatste wijziging op 12-12-2005. Webmaster vanderkallen@home.nl |
||