|
|
Terug bij Sint Maarten
(Marco Vermunt)
In
juli en augustus vond een opgraving plaats op het Gouvernementsplein als
voorbereiding op de herinrichting van deze ruimte.
Wat in 1992 niet mogelijk was, gebeurde nu, namelijk onderzoek van het terrein
ten noorden van het gasthuisgebouw.
De opgraving bestond uit het aanleggen van
enkele grote proefsleuven, met de bedoeling om een paar vragen beantwoord te
krijgen, zoals: waren er sporen van een ouder gasthuisgebouw dan hetgeen we in
1992 opgroeven; was er bebouwing ten noorden van het gasthuis en hoe uitgestrekt
was het gasthuiskerkhof? We kunnen stellen dat er al gravend net zoveel vragen
zijn bijgekomen als beantwoord.
De verwerking van de gegevens is nog maar nauwelijks begonnen, dus wat hier
volgt zijn alleen de grote lijnen en een eerste globaal beeld.
Grote verrassing was de vondst van funderingen
van een woonhuis, dat ooit ten zuiden van het huis "Fortuijn"stond (nu
drogisterij).
Het was gebouwd in de 14de eeuw en vernieuwd in de 15de eeuw, waarna het een
tijdlang onderdeel uitmaakte van het gasthuis.
Ten zuiden van het huis bevond zich een nauw straatje, dat in de archieven
voorkomt als Gasthuissteeg. Het leidde in de richting van het Gouvernement en
voerde destijds waarschijnlijk naar de schuren en beemden van het gasthuis
(waarvan in 1994 resten zijn opgegraven).
Tussen het steegje en het eigenlijke gasthuisgebouw lag een driehoekige ruimte,
die oostwaarts was afgesloten door een noord-zuid gerichte muur. De functie van
de ruimte en de muur is nog een raadsel.
De vondst van verschillende leemvloeren doet denken aan een soort 14de eeuwse
aanbouw bij het gasthuis. Er was ook een waterput van gestapelde tonnen in
voorzien. Omdat de steeg en het gasthuis elkaar aan de zijde van de
Blauwehandstraat raakten, kan gezegd worden dat er in de Middeleeuwen helemaal
geen plein bestond, hooguit een bescheiden open ruimte die alleen dienst deed
als kerkhof.
Zowel in de altaarruimte als in de zaal van het
gasthuis werden proefsleuven gemaakt om de bouwgeschiedenis nog eens goed in
beeld te brengen.
Daarmee kwam vast te staan dat het stenen gasthuis niet eerder dan omstreeks
1300 was gebouwd en dat er in de loop der eeuwen niet alleen in werd verpleegd
maar ook volop in werd begraven. Dit zette de gescheidenis, zoals beschreven in
"Te gast bij Sint Maarten" volledig op zijn kop.
Ten eerste was geen spoor van een ouder gasthuisgebouw te vinden, terwijl de
instelling toch al bestond in 1246; ten tweede leek de functie als ziekenzaal
niet te rijmen met de vele grafkuilen in de zaal.
Voor wat betreft het onbekende 13de eeuwse gasthuis: bij de bouw van de zaal
rond 1300 zijn bepleisterde steenblokken en grote hoeveelheden Doornikse
zandsteen, afkomstig van een ouder bouwwerk, hergebruikt. Toch werden er noch op
het plein, noch onder het gasthuis resten van een 13de eeuws gebouw
aangetroffen.
Evenmin waren er oudere vloerniveau's aanwezig, zelfs geen enkele 13de eeuwse
grafkuil. Dit alles wijst er sterk op dat het 13de eeuwse gasthuis ergens anders
heeft gestaan.
Een
mogelijk antwoord op het tweede probleem gaf het onderzoek buiten het gebouw.
Hier kwam een rij van (minstens) vier grote massagraven tevoorschijn, vierkante
kuilen met elk 15 tot 25 individuen, netjes op elkaar gestapeld. Alle kuilen
waren tegelijk gegraven.
Op enkele van de skeletten werden bronzen riemgespen gevonden, die dateerden uit
de eerste helft van de 14de eeuw. In de ziekenzaal en bij het altaar bevond zich
een grote concentratie van veel regelmatiger aangelegde enkelvoudige graven, die
bijna allemaal een muntje als een soort bijgift bevatten. De munten zijn
inmiddels in Leiden gedetermineerd en dateren vrijwel allemaal uit het midden
van de 14de eeuw, even oud als de gespen dus.
Voorlopig nemen we aan, dat het gasthuisgebouw
van 1300 tot 1525 gewoon als ziekenzaal in gebruik is geweest, maar ten tijde
van de grote sterfte de hele zaak tijdelijk werd ontruimd en schoongemaakt.
De oudste (massa) graven zijn waarschijnlijk het gevolg van de grote
pestepidemie van 1348/1349, toen een derde van de bevolking van Europa het
loodje legde. De arme sloebers werden buiten begraven in kisten of lijkzakken en
de beter bedeelden (wier bezittingen toekwamen aan het gasthuis) binnen de
muren.
Overigens zijn er ook uit latere perioden (einde 14de en 15de eeuw) graven
gevonden van mensen die aan de pest waren overleden. In totaal zijn er ongeveer
50 skeletten gelicht voor nader onderzoek. Een interessant project voor de
komende winterperiode.
Uit de tijd na 1525, toen het gasthuis werd
opgeheven en er een school van werd gemaakt, dateert de vondst van enig muurwerk
en een bijzonder grote beerkuil, midden op het Gouvernementsplein.
Het zijn waarschijnlijk resten van het huis van meester Willem van Woensdrecht,
schoolmeester, die in een aanbouw bij het voormalige gasthuis woonde.
De vondsten zullen de komende winter worden schoongemaakt en uitgezocht.
Bizarre vondsten zijn er ook gedaan: in een van
de 14de eeuwse graven in de ziekenzaal lag een Romeinse munt, een sestertius uit
de 1ste of 2de eeuw.
Met de metaaldetector werden door Alexander van der Kallen bij de grote boom en
op de hoek van de Kettingstraat nog twee romeinse munten gevonden. De
opgravingen en het gelijktijdig onderzoek in de rioolsleuven van de omringende
straten leren dat er absoluut nooit Romeinse bewoning in de buurt is geweest.
Van Asterix in Bergen is dus voorlopig geen sprake.
|
|
||
|
Deze pagina's zijn het beste te bekijken in 1024*768. Laatste wijziging op 12-12-2005. Webmaster vanderkallen@home.nl |
||