Opgraving achter schotland. 

(Marco Vermunt) 

Geen lakenvolderij, zoals nog bij het voorlopig onderzoek werd gesuggereerd, maar wel degelijk een leerlooierij was het, waarvan achter het pand Schotland de resten werden opgegraven. Inmiddels is de opgraving klaar en is in grote lijnen de bewoningsgeschiedenis van de locatie duidelijk geworden. 

Niet één, maar twee bouwfasen kunnen worden onderscheiden in de eerder opgegraven funderingen en de grote ronde gemetselde bakken achter het voormalig bankgebouw. 

In de eerste helft van de 15de eeuw was hier de leerlooierij van Cornelis Tabbaert gevestigd. In 1468 leverde deze op de Bergse jaarmarkt een partij leer aan enkele mannen uit Duivenland.
Het proces van leerlooien is eeuwenlang ongewijzigd gebleven. De huiden werden gesneden, ontvet, onthaard en voorbehandeld (“gelaafd”) in een kleine kuip, gevuld met water en gemalen eikenschors (“run”). Na enkele weken werden ze overgebracht naar een grote kuip. Hier kwamen de huiden in stapels in te liggen, steeds met een laagje run ertussen. De kuip werd vervolgens met water gevuld en de huiden verzwaard met keien om drijven te voorkomen.
Het hele looiproces kon een jaar in beslag nemen. 

In 1470 werd het pand Schotland, inclusief leerlooierij en achterbouw, grenzend aan de Koevoetstraat, verkocht. Het bedrijf hield toen op te bestaan. De kuipen kregen een herbestemming als beerput en de bedrijfsruimte werd verbouwd tot een “gewoon”achterhuis van Schotland.
De keien, die dienden om op de huiden te leggen, vonden een hergebruik als funderingsmateriaal onder de nieuw te metselen muren. Uit die twee perioden dateert ook de regenwaterbak en de grote vierkante beerput met bijbehorende ingegraven beerkuilen, overigens een van de grootste gesloten vondstcomplexen die we ooit hebben aangetroffen.

Wat in de eerste fase van de opgraving niet gevonden werd, kwam op het einde alsnog tevoorschijn: een kuil, gevuld met een groot aantal runder- en geitenhorens. Dit waren de afvalproducten van de looierij, waar de dierenhuiden met de schedel er nog aan binnengebracht werden. De kuil lag vlak bij de Koevoetstraat. 

In de tweede fase van de opgraving zijn ook funderingen van een 14de eeuwse woning aan de Koevoetstraat aan het licht gekomen. Het was een rechthoekig houten huis op een bakstenen fundering. Later in de 14de eeuw, waarschijnlijk bij de stadsbrand van 1397, ging het huis in vlammen op.
Tussen de verbrandingsresten ( hout en leem van de oorspronkelijke wandafwerking ) bevonden zich enkele kookpotten, die vermoedelijk op een rijtje langs de muur hadden gestaan. Na de brand volgde herbouw, maar later in de 15de eeuw werd ook dit huis afgebroken en vervangen door iets nieuws, vermoedelijk een achterhuis met stal, behorend bij Schotland.
De bouwsporen uit de late 15de en 16de eeuw zijn nog te onsamenhangend en slecht bewaard om er een duidelijke vorm in te herkennen. Er zijn overigens op het hele terrein bijzonder weinig sporen uit de tijd na 1500 bewaard gebleven. 

Een grote verrassing was de vondst, halverwege het erf, van een anderhalve meter diep ven uit de voorstedelijke periode. Aan de rand van het ven werd een Romeinse munt gevonden. In de 12de eeuw heeft men geprobeerd het ven te ontwateren door er ondiepe greppels langs te graven.
In de 13de eeuw werd het ven gedempt met humushoudende grond. Vervolgens is op het geëgaliseerde terrein een tijd lang akkerbouw gepleegd. Dit is een aanwijzing dat de 13de eeuwse stad nog bescheiden van omvang was. De Koevoetstraat bestond nog niet. Een noord-zuid gerichte sloot vormde de grens tussen de akker en de al eerder opgegraven sporen van bebouwing uit de 13de eeuw.

 


Naar de vorige pagina

Terug naar het begin van deze pagina

Deze pagina's zijn het beste te bekijken in 1024*768. Laatste wijziging op 12-12-2005. Webmaster vanderkallen@home.nl