Restaureren van archeologisch glas

(Marco Vermunt)

Sinds enige tijd wordt op het depot gewerkt aan het lijmen en restaureren van glazen voorwerpen.
Daarbij gebruiken we een betrekkelijk nieuwe lijm op 2-componenten basis: Araldite 2020.
Glas lijmen is een werkje dat stalen zenuwen vereist en nauwelijks te vergelijken valt met het lijmen van aardewerk. In het onderstaande wil ik iets over glas vertellen en over de manier van restaureren.

Glas vinden we in Bergen op Zoom sporadisch in laat- 14de eeuwse contexten.
Het komt pas goed in zwang in de loop van de 15de eeuw, waarbij het dan vaak groen gekleurde "woudglas" betreft zoals maigelbechers en maigeleins (kleine drinkbekers). Dit glas werd in Duitsland en de Ardennen gemaakt van potas (kaliumcarbonaat), zand en kalk. De potas werd gewonnen uit verbrand hout, vaak beuken. In Centraal-Europa gebruikte men ook varenbladeren, vandaar de naam "varenglas", dat iets geler van kleur is. De potas was nodig als vloeimiddel om de smelttemperatuur van kwartszand te verlagen van 1700 naar 1400 graden; kalk diende als stabilisator om de oplosbaarheid van glas in water tegen te gaan.
Een alternatief voor potas was soda (natriumcarbonaat), dat een iets sterker soort glas opleverde en beter tegen verwering bestand was. Soda werd onder meer uit zeewier gehaald. Helaas lukte het vanwege de natuurlijke onzuiverheid van de ingrediënten nooit om kleurloos glas te maken. Zelfs in de soda zat nog een natuurlijke hoeveelheid potas.
De tinten varieerden van groen, geel tot lichtbruin (door ijzerverbindingen in de grondstoffen). Het achterwege laten van kalk vanuit de gedachte dat dit toch wel van nature in zand zat, resulteerde bovendien in glas dat erg snel in kwaliteit achteruit ging: het was namelijk minder goed bestand tegen water.

In Noord-Italië produceerde men al in de 13de eeuw onder Syrische invloeden een bijzonder fraai kleurloos glas, dankzij de zuivere producten die werden gebruikt zoals kwarts uit Ticino, barilla (wier) uit Spanje en soda uit Syrië.
Dit cristallo maakte zo'n indruk op het noorden dat men het daar al snel ging namaken. Aanvankelijk kwamen er voorwerpen van potas op de markt die de Italiaanse imiteerden, maar dit beviel niet en uiteindelijk haalde men in het begin van de 16de eeuw de Italiaanse glasblazers met hun technieken naar Noord-Europa. Zij maakten in de 16de en 17de eeuw het sierlijke "facon-de-Venise" glaswerk, dat nauwelijks te onderscheiden was van de Italiaanse.
In de 17de eeuw begon men in Engeland lood als vloeimiddel in glas toe te passen. Lood maakte het mogelijk om het Engelse flint (kiezel) te smelten. Loodglas was zwaar en gemakkelijk te bewerken, bijvoorbeeld door slijpen. Tegelijkertijd kwam Boheemse kristal in zwang, dat zeer veel kalk bevatte. Beide glassoorten verdrongen het ouderwetsere facon-glas in korte tijd volledig van de markt.

Opgegraven lood- en kalkglas ziet er altijd mat uit, maar is wel sterker dan potas en sodaglas.
De onzuiverheden in het glas en het vaak eeuwenlange verblijf in de bodem zijn er de oorzaak van dat het vaak ernstig is aangetast. Reden is het oplossen van alkali uit het glasoppervlak in het water. Het glas wordt eerst dof, gaat vervolgens schilferen, wat de bekende "irisatie" geeft en tenslotte laten hele lagen los waarna het verkruimelt.
De ene soort glas is sterker dan de andere: sodaglas is sterker dan woudglas. 
Maar ook de ligging in de grond is van invloed. Sommige van de vroeg- 15de eeuwse woudglazen bekers zien er nog stralend helder uit, terwijl een ander exemplaar uit dezelfde beerput volkomen zwart en korrelig kan zijn geworden. Dit kan zelf optreden bij de scherven van één voorwerp.
Oorzaak is de chemische inwerking van de grond en de toetreding van water binnen de beerput of kuil. Eigenlijk kan gesteld worden dat glas een onstabiel materiaal is, dat de neiging heeft uiteen te vallen en op te lossen in water.

Glas opgraven is op zich al lastig, maar glas reinigen en conserveren nog veel meer.
Als glas tijdens het opgraven al heel erg schilfert, is er geen andere manier dan het te stabiliseren met paraloid (een kunststofkorrel), opgelost in aceton of trichloor. Dit stopt de afbraak echter niet; inwendig gaat het proces gewoon door. Meestal is glas redelijk van kwaliteit en in een enkel geval zelfs erg goed bewaard gebleven.
Bij het langdurig bewaren van opgegraven glas moet echter bedacht worden dat het proces van verval, eenmaal in gang gezet, inwendig doorgaat door vochtinwerking. Het beste is dus om het te bewaren in een ruimte met zeer lage luchtvochtigheid.
Duits onderzoek heeft geleerd dat ook dat eigenlijk niet voldoende is en zij bevelen opslag aan in een gasdichte container, gevuld met argon, in het donker en op een lage temperatuur. U begrijpt dat dat voor de meeste musea en depots science-fiction is.
Belgische onderzoekers beweren dat ook argon niet werkt en zij zweren bij invriezen, om hiermee het vochtprobleem te lijf te gaan. Voor depots misschien aardig, maar in een museum niet zo handig. "Gewoon" archeologisch glas zal bij normale bewaarcondities in kwaliteit achteruitgaan, maar dat nemen we op de koop toe of we gebruiken paraloid.

Een zakje glasscherven zegt niet veel, dus willen we het voorwerp ook restaureren, lijmen dus.
Hier begint het probleem. De stukjes alvast met plakband in elkaar zetten kan niet, omdat dat voor altijd sporen achterlaat op het glasoppervlak.
Je trekt namelijk een dun vliesje van de irisatielaag mee. In het depot zijn hiervan droevige voorbeelden te aanschouwen.
Alleen heel mooi bewaard gebleven glas kan dit hebben.
Het puzzelen moet dus "virtueel" gebeuren, waarbij van elk stukje schetsen op papier worden gemaakt. Glasscherven passen maar op twee manieren aan elkaar: perfect of helemaal niet. Een loupe is vaak nodig, want elke fout, zelfs van een tiende millimeter, heeft gevolgen voor de rest van de scherven.
 


Naar de vorige pagina

Terug naar het begin van deze pagina

Naar de volgende pagina

Deze pagina's zijn het beste te bekijken in 1024*768. Laatste wijziging op 12-12-2005. Webmastervanderkallen@home.nl