Opgravingen op het Ribbensterrein

Dit najaar is in een betrekkelijk korte tijd het Ribbenscomplex, gelegen tussen de Dubbelstraat en de Noordzijde Haven, tegen de vlakte gegaan.
Een groot deel van de locatie bleek matig tot ernstig met lood vervuild. Om nieuwbouw toch mogelijk te maken en tegelijk zo weinig mogelijk grond af te graven, koos de ontwikkelaar voor ophoging van het maaiveld met anderhalve meter schone grond. Hierdoor zou het bodemarchief relatief weinig aangetast worden en was er geen noodzaak om op grote schaal archeologisch onderzoek te doen.
Uitzondering bleef echter de parkeerkelder die onder het appartementencomplex aan de Dubbelstraat was voorzien. Hier was opgraven wel aan de orde. Daar zat meteen ook het probleem: het afgraven van de vervuilde grond diende door een gecertificeerd bedrijf te geschieden. Van meet af aan was duidelijk dat het geen alledaagse opgraving zou worden. In overleg met de ontwikkelaar werd gestart met een “gewoon” onderzoek aan de kant van de Rijtuigweg. In de loop van het werk zou duidelijk worden hoe (en door wie) er verder gegraven moest of kon worden.

Vol goede moed begon de graafploeg, onder officiële leiding van Alexander van der Kallen, aan een eerste werkput.
Die mocht niet dieper dan 50 centimeter worden onderzocht, omdat er  nog geen provinciaal goedgekeurd ontgravingsplan was. Er werden funderingen, vloeren, putten en keldertjes gevonden van huisjes uit de 19de en 20ste eeuw. Geen verrassing, want deze huizen waren pas in 1966 gesloopt, toen de nabijgelegen tribunebouwer "Margadant" er een fabriek wilde bouwen, iets dat overigens nooit is uitgevoerd.

Toen de vloeren en muren werden ingemeten, kwam de buurman vertellen wat er ooit had gestaan en wat er in gebeurde in de laatste jaren voor de sloop. Na die sloop liet Ribbens er een muur opmetselen. Bij die gelegenheid had Fons Gieles samen met scholieren een grote vracht aan scherven verzameld, die later aan het depot zijn geschonken. Het was pottenbakkersafval uit het midden van de 14de eeuw. 

In de "eerste" werkput kwamen toch ook wel wat oudere sporen tevoorschijn. Aan de kant van de Dubbelstraat, tegenover het Arsenaal, lagen drie bakstenen poeren en een muurtje van 15de eeuws metselwerk.
Misschien was het van een loods, in elk geval niet van een gewoon woonhuis. Verder graven kon aanvankelijk niet. Om de nieuwsgierigheid te bedwingen werden er een paar kijkgaten machinaal uitgegraven waarbij de hele bodemopbouw in het zicht kwam.

En dat leverde verrassingen op. Het hele complex van 19de en 20ste eeuwse muren lag in een vrij dun pakket van gelaagd zand en scherven.
Daaronder zat, aan de kant van de Rijtuigweg, een anderhalve meter dikke laag van rossige, schuimachtige grond, zonder enige scherf. Dank zij vergelijking met soortgelijk spul uit Steenbergen, door Christ van Terheijden in allerijl meegebracht, werd duidelijk dat het hier om "zel-as" of “zelk-as” ging: een restproduct van zoutziederijen. Zout werd gewonnen uit overstroomd veen, dat in blokken gestoken, op hopen werd verbrand. De asberg werd vervoerd naar de zoutpannen, om vermengd te worden met zeewater en in etappes in grote pannen te worden drooggestookt. Na spoelen en opnieuw indampen verkreeg men zout, een onmisbare grondstof om voedsel mee in te maken en voor bederf te vrijwaren.
Om een kilo zout te winnen hield men tientallen, zo niet honderden kilo's afval over. Deze zelbergen werden gebruikt om terreinen op te hogen. De helft van het stadje Steenbergen ligt op zulke zel-as. Dit gebeurde omstreeks het midden van de 14de eeuw. Dat er in Bergen op Zoom zoutzieders werkten, was allang bekend. Nieuw is het feit dat het westelijk havengebied ermee werd opgehoogd, en in niet geringe mate. 

Onder de zel-as kwam een 30 centimeter dunne veenlaag aan het licht, de oorspronkelijke grondsoort in dit gebied. Op en in het veen lagen zeer veel scherven pottenbakkersafval, daterend uit het midden van de 14de eeuw. Waarschijnlijk was er kort voor, of wellicht tegelijk met het ophogen eerst een lading potscherven op het terrein uitgestrooid.

Toen na een week van stilte het ontgravingsplan verscheen, werd duidelijk dat met eigen middelen verder graven onmogelijk was.
Het volume van de kelder werd in lagen en vakken verdeeld, die in één keer ontgraven moesten worden. Alleen de vaste medewerkers mochten, gekleed in witte pakken, het terrein op. Het opgraven bleef beperkt tot het observeren van de lagen en de vrijkomende grond, die meteen in vrachtwagens naar Helmond verdween. Wel mocht er, indien nodig, een halt toegeroepen worden aan de kraan van de saneerder om sporen en dergelijke op te tekenen.

Het is te danken aan de volharding van Alexander, die elke ochtend vroeg als marsman in de put stond, dat er toch het een en ander gedocumenteerd kon worden. Er zijn zo vrijwel geen sporen ongezien vernietigd.
Anderzijds was datgene, wat tevoorschijn kwam, zo bizar dat het misschien maar goed is dat er niet met de eigen kraan is gewerkt. Op de meeste plaatsen in de parkeerkelder werd de grond in drie lagen verwijderd zodat telkens een “leesbaar” vlak ontstond. De zel-as aan de zijde van de Rijtuigweg leverde geen verdere informatie meer op, zoals gezegd zaten er geen vondsten in. De vloer van de parkeerkelder reikte daar ook niet tot in het veen.
Maar aan de kant van de Dubbelstraat werd over de volle breedte van het voormalige fabrieksterrein, in een strook van 8 meter diep gerekend vanaf de straat, geen zel-as, maar een anderhalve meter dik pakket van aardewerkscherven blootgegraven. Het is de grootste stort van pottenbakkersafval, die tot nu toe in de stad aan het licht kwam. De scherven waren vermengd met kleiig zand en vooral erg veel rossige, half verbrande leem en houtskool. Op sommige plekken was er meer scherf dan zand.
Geschat wordt, dat er ongeveer 500 kubieke meter pottenbakkersafval en zand is verwijderd; na reiniging zou er nog zeker 250 kuub scherven overblijven. Ik hoef niet uit te leggen dat het verzamelen daarvan geen optie was. Wel werd de stort nauwkeurig onderzocht en bemonsterd.
Zo bleek rood- en grijsbakkend aardewerk door elkaar te liggen en was al het materiaal erg fragmentarisch. Grote scherven, laat staan hele potten, ontbraken. De afvalstort dateerde uit het midden van de 14de eeuw, en leek iets ouder te zijn dan de misbaksels die in 1985 in de Hoogeboomstraat (nabij het Spuihuis) werden gevonden. Er was geen sprake van een laagsgewijze dump. Waarschijnlijk werden jarenlang opgespaarde schervenhopen van verschillende pottenbakkerijen in één keer met karren uitgereden langs de Dubbelstraat. Dit gebeurde tegelijk met het storten van de zel-as. De reden om langs de Dubbelstraat een strook met aardewerk in plaats van zel-as op te hogen, is waarschijnlijk de daarna volgende bouw van schuren en loodsen langs die straat. Helaas was daarvan vrijwel niets bewaard gebleven. In elk geval hebben er op het onderzochte terrein zelf nooit pottenbakkerijen gestaan.

Toen de kuil voor de parkeerkelder klaar was, tekende zich op ruim 2,5 meter onder straatpeil fraai de overgang van dekzand naar veen af.
De Rijtuigweg en de Dubbelstraat vormden een landtong aan de rand van een veenvlakte, in feite de onderkant van de Brabantse Wal. Her en der lagen in het veen nog veel scherven.
Omdat het eigenlijke graafwerk voltooid was, kon nu in alle rust met de hand onderzoek plaatsvinden in het diepste vlak. Vlak aan de straat was in het veen een diepe kuil uitgegraven. Deze zat boordevol scherven van mislukte potten, nu echter duidelijk ouder dan al het andere.
Waarschijnlijk ging het om een stort van een vroeg-14de eeuwse pottenbakker die mogelijk vlak in de buurt werkte. Deze belangrijke vondst leert ons dat de Bergse potmakers ook slibversierd aardewerk maakten: kannen met gele stippen en schotels met geometrische slibdecoratie. In tegenstelling tot de latere dump leverde de kuil ook vrij veel complete voorwerpen op.  

Helaas was de kuil doorsneden door de damwand van de kelder. Bovendien was berging van de complete inhoud, hoe relatief klein ook (doorsnede 3 meter, onder het grondwaterpeil) onbegonnen werk. Ook hier hebben we ons beperkt tot het verzamelen van een “monster”, dat nog altijd uit vele tientallen zakken scherven bestaat.

Samenvattend kunnen we stellen dat de “Ribbens-opgraving” een goed inzicht gaf in de geologie en ontginning van het terrein en twee verrassingen leverde in de vorm van de niet eerder gevonden zel-as ophogingen en de 14de eeuwe schervenstort. Het ontbreken van laat-middeleeuwse bebouwingssporen wordt voldoende gecompenseerd door de rijke informatie over de oudste Bergse pottenbakkerijen.


Naar de vorige pagina

Terug naar het begin van deze pagina

 

Deze pagina's zijn het beste te bekijken in 1024*768. Laatste wijziging op 12-12-2005. Webmaster vanderkallen@home.nl