Het kanon uit de Koepelstraat

In 1998 werd een kleine opgraving uitgevoerd op het terrein van de voormalige werkplaats van Van Vliet, in verband met bodemverstorende sloop en nieuwbouw.
Door een proefsleuf loodrecht op de straat aan te leggen kon op vrij simpele wijze de doorsnede van de gracht in het zicht worden gebracht. Vanwege de beperkte ruimte moest dat in twee helften gebeuren.

Van de gracht werd zowel het binnen- als buitentalud blootgelegd.
De maximale breedte kon bepaald worden op 22 meter. De bodem van de gracht werd niet bereikt (ook vanwege de krappe ruimte en het instortingsgevaar) maar lag ongeveer 4 meter diep.

Verrassend was de ontdekking dat de gracht al in de 13de eeuw gegraven was en hoorde bij een aarden wal, voorloper van de 14de eeuwse stadsmuur, waarvan de resten in de Kloosterstraat werden opgegraven in 1997.
Onder de stoep langs de straat, was nog een klein stukje (de zogenaamde teen) van die wal bewaard gebleven, bestaande uit zand en leem. De wal en gracht vormden samen een verdedigingsgordel van ruim 45 meter breedte rond de stad.

Onder de wal kwam een restant van een akkertje uit de 12de eeuw te voorschijn.
Het gebied was dus eerder in gebruik als bouwland, vanaf ongeveer 1250 als weiland. Op redelijk korte afstand lag de akker van de Zuidmolenstraat (opgegraven in 1983); mogelijk vormden ze samen één agrarisch terrein.

De stadswal werd ergens tussen 1275 en 1300 opgeworpen waarbij de boeren het veld moesten ruimen; een meer precieze datering kan op dit moment nog niet gegeven worden.
Van de stenen stadsmuur die omstreeks 1330 tot stand kwam, werd niets teruggevonden. De muur stond waarschijnlijk aan de voet van de wal, waar nu het trottoir is.

Na 1588 is men begonnen om rond de oude omwalling van de stad enkele bastions te bouwen.
Aan de Koepelstraat kwam bastion Belvedère te liggen, waarbij de oude gracht over de volle breedte van het bastion werd gedempt. Hiervoor gaf het stadsbestuur in 1597 opdracht. De gracht bleek te zijn volgestort met zand (waarschijnlijk van de oude wal) dat was vermengd met een enorme hoeveelheid puin en scherven.
Dit was afkomstig van huizen die tijdens het beleg van de stad waren vernield of leegstonden en door de eigen soldaten waren gesloopt in hun jacht op brandhout. Ook was er pottenbakkersafval in de gracht gegooid.
Alle vondsten dateerden uit het einde van de 16de eeuw en het begin van de 17de eeuw.

De mooiste vondst was de loop van een gietijzeren kanon, die bijna bovenin de vulling van de gracht lag.
De 1,85 meter lange loop is inmiddels schoongemaakt en met ontroetingsmiddel behandeld, waarbij de letters TG en een kroontje tevoorschijn kwamen. Het zou hier gaan om de initialen van de gieter.
Volgens een deskundige van het legermuseum in Delft gaat het hier om een (zeldzaam) kanon uit de periode 1580-1620, mogelijk van Engelse makelij. Het zou via smokkel in Nederland zijn gekomen.

Inmiddels is een deskundige uit Engeland aangeschreven die er waarschijnlijk veel meer over weet te vertellen. De bedoeling is om het kanon tentoon te stellen in een geschikte ruimte, het liefst op een replica van een oud affuit.
Waar dat zou kunnen gebeuren is vooralsnog onduidelijk en hangt sterk af van de inventiviteit van de wethouder van Cultuur.


Naar de vorige pagina

Terug naar het begin van deze pagina

Deze pagina's zijn het beste te bekijken in 1024*768. Laatste wijziging op 12-12-2005. Webmaster vanderkallen@home.nl