Een 15de eeuws fluitje

(Marco Vermunt)

In de laatste week van augustus begon PK-Bouw met voorbereidingen voor de bouw van het glazen paviljoen naast het postkantoor.
De stadsarcheologische dienst had hier in de winter van 2001 al de funderingen en kelders van de Grote en Kleine Slange blootgelegd, zoals u in eerdere nieuwsbrieven kon lezen.

Om te controleren of de schroefpalen van de nieuwbouw niet op muurwerk zouden stuiten, werden met de graafmachine proefgaten gemaakt. Alexander en ik waren erbij om te kijken of er nog iets bijzonders aangetroffen zou worden, vooral omdat we vorig jaar uit ruimtegebrek niet helemaal tot aan het Zuivelplein konden graven.

Al snel werd de fundering van het achterste gedeelte van de Grote Slange gevonden, het buurpand van de “Wolf”.
De Wolf stond ter hoogte van de hoek van het voormalige postkantoor. In tegenstelling tot de Kleine Slange was het achterhuis van de Grote Slange niet onderkelderd geweest. Dit zagen we aan de ophogingsgrond rondom het muurwerk.
Toen de graafmachine (ondanks onze verzekering dat hier echt geen keldermuren zouden zitten) toch een hap grond verwijderde, kwam de rand van een beerkuil in het zicht: een eeuwen geleden gegraven gat om afval in te dumpen. Omdat de beer aan de randen van dit soort kuilen altijd omhoogkrult, tekent de omtrek zich vrij duidelijk af en is herkenning vrij eenvoudig.

Nadat we de kraan hadden weggestuurd, uiteraard na overleg met de collega’s, besloten we de kuil nader te onderzoeken met spade en troffel.
Het ging om een grote rechthoekige kuil, gevuld met een onderlaag van beer en enkele afdeklagen van puin en zand.
Waarschijnlijk lag de kuil destijds onder een klein achterplaatsje omdat er een restant van een bestrating van Vilvoordse keien op bewaard was gebleven.

Beerkuilen zoals deze kennen we in allerlei afmetingen; ze komen in Bergen op Zoom voor van de vroege 15de tot de 18de eeuw.
In de beerkuil van de Slange vielen meteen de vele scherven van grijs aardewerk op. Aangezien het grijze potgoed uit de mode raakte in de loop van de 15de eeuw (waarschijnlijk rond het midden van die eeuw), dateerde de kuil nog uit het tijdvak 1400-1450.

Dit feit, samen met het gegeven dat er twee of meer palen doorheen zouden worden geschroefd, deden ons besluiten met de hand verder te graven. In eerste instantie meenden we een kleine beerkuil te hebben van ongeveer 1 bij 2 meter, maar in werkelijkheid was hij veel groter, zo’n 3 bij 3 meter. De bodem lag 1,70 meter onder het straatpeil.

Beerkuilen worden vaak gevonden vlakbij gemetselde putten of kelders.
De vulling is dan ooit verplaatst van de put naar de kuil. Gebroken, weggegooide voorwerpen liepen kans verder versplinterd te worden bij het herbegraven. De kans om iets compleets te vinden is dan ook erg klein. Dat verklaart de gekte die toesloeg bij Alexander toen hij op zeker moment een volkomen gaaf fluitje vond.

Het fluitje is van aardewerk, 7,5 centimeter hoog, uitgevoerd in de vorm van een klein kannetje.
De buik is versierd met een mensengezicht. In zogenaamde applique-techniek zijn neus, ogen, mond, baard en wenkbrauwen in witte slib aangebracht en afgewekt met gele en bruine glazuur. De hals van het kannetje is samengeknepen en naar achteren gebogen om het hoofd aan te geven. Aan de zijkant is een tuit gemaakt, waarin het eigenlijke fluitje zit. Aan de andere kant is een gat uitgespaard.
Het fluitje doet het nog prima. Dit soort fluitjes konden, net als de Duitse steengoed fluitjes, worden gevuld met water, hetgeen een rare klank oplevert. Dat verklaart het gaatje aan de zijkant van onze fluit.
Dit vroeg natuurlijk om een experiment. We hebben het fluitje gevuld met water en … een reeks vogelgeluiden weerklonken door het Depot. Zoals gezegd zijn er geen beschadigingen aan.

Keramische fluitjes zijn niet zo heel zeldzaam en werden van de 12de tot de 18de eeuw gemaakt.
De vroegste zijn afkomstig uit het gebied rond Andenne. Mooie (maar niet-complete) fluiten in de vorm van een ruiter op een fantasiebeest kennen we uit Amsterdam en Den Haag en zijn 14de eeuws.
Uit de 15de eeuw zijn zowel fluiten in de vorm van een vogel als in de vorm van een narrenkop bekend. De echte vogelfluiten werden gemaakt in een gebied dat zich uitstrekt van Zuidwest Frankrijk tot centraal Duitsland. Uit Reimerswaal komt een hele fraaie. De antropomorfe fluiten, in de vorm van een narrenkop, zijn bekend uit Aken en Raeren van de late 15de tot de 16de eeuw. Ze sluiten aan bij de traditie van de steengoed baardmankannen. In de Nederlanden (en Engeland) werden antropomorfe fluiten gemaakt van rood- en witbakkend aardewerk. In de collectie van Van Beuningen in Rotterdam bevinden zich enkele van deze fluitjes, afkomstig van Oud Krabbendijke (het verdronken land), Sluis, Rotterdam en Rijssel. Vooral de fluit uit Sluis, in slib-krastechniek, lijkt op de Bergse.

De afwerking van de fluit, misschien kun je spreken van narrenfluit of duivelsfluit, komt overeen met die van de zwavelstokkenbak, die in 1995 werd opgegraven in een beerput onder het pand “de Kleine Haan” achter het voormalige postkantoor. Beide voorwerpen dateren ook uit dezelfde periode, de eerste helft van de 15de eeuw. Intrigerend is de vraag of ze allebei door dezelfde pottenbakker zijn gemaakt. Dit kan in principe worden vastgesteld als er voldoende vingerafdrukken in de klei zouden zitten, maar dat lijkt hier niet het geval.

De functie van de fluitjes in het algemeen lijkt toch typisch die van speelgoed te zijn. Omdat archeologen eigenlijk kleine kinderen zijn, is het dus in goede handen.


Naar de vorige pagina

Terug naar het begin van deze pagina

Deze pagina's zijn het beste te bekijken in 1024*768. Laatste wijziging op 12-12-2005. Webmaster vanderkallen@home.nl