|
|
Romeinen op de Kiek
(Marco Vermunt)
Vorig
jaar is er een archeologisch onderzoek uitgevoerd op het noordelijke gedeelte
van Kijk in de Pot, waar tevoren een honkbalveld was.
De verwachtingen om archeologische sporen te vinden, waren niet al te hoog
gespannen vanwege de ervaringen op de zuidelijke helft van de Kiek. Daar werd in
1999 het restant van een onderaardse gang uit 1700 blootgelegd, maar verder geen
oudere sporen.
Kijk in de Pot was in de late middeleeuwen een
heuvelachtig terrein aan de hoge rand van de Brabantse zandgronden.
Eigenlijk was het een duinenrij, die zowel voor als na de laatste ijstijd
gevormd werd. In de ondergrond zit een dikke laag klei, die mede gezorgd heeft
voor de vorming van de hoge rand. Diezelfde klei is er de oorzaak van dat
regenwater lang vastgehouden wordt en dat geeft de omgeving een drassig karakter.
In geschreven bronnen uit de 15de eeuw wordt het gebied "Holwegenberg" genoemd,
wat alweer wijst op het voorkomen van heuvels.
Lange tijd is het terrein onaangetast gebleven, met uitzondering van de
pottenbakkers, die er hun klei kwamen steken. Tijdens de inrichting van de Kiek
als stadspark werden enkele van die kleiputten teruggevonden.
Op het einde van de 16de eeuw kreeg Bergen op
Zoom nieuwe vestingwerken.
Kort na 1600 werd op de Holwegenberg een redoute met de naam "Kijk in de Pot"
aangelegd.
Na de belegering van 1622 begon men gevaarlijke hoogtes dichtbij de stad af te
graven. Mogelijk is in die tijd het noordoostelijke gedeelte van de Holwegenberg
geëgaliseerd. Tevens kreeg de vestingstad enkele grote hoornwerken: rechthoekige
omwalde terreinen met bastionvormige punten op de hoeken. Aan de zuidzijde van
het westelijke stadsdeel lag een dergelijk hoornwerk. Het strekte zich uit van
het dierenasiel tot aan het midden van de Kiek. Tijdens de recente opgravingen
werd de oostelijke flank van dit hoornwerk teruggevonden. Helaas hebben de
vestingwerken het oorspronkelijke heuvelachtige karakter van Kijk in de Pot
grotendeels tenietgedaan. Nergens is een spoor van het oude middeleeuwse
maaiveld bewaard gebleven. Bovendien werd het maaiveld bij de aanleg van de
renbaan in 1950 nog eens een meter verlaagd. Veel oude sporen zullen zijn
vergraven.
Des te groter was de verrassing, toen bij
grondboringen, die vooraf gingen aan het proefsleuvenonderzoek in 2004, een oude
cultuurlaag werd gevonden. De daaropvolgende proefsleuven legden deze laag bloot.
Het bleek de bodem te zijn van een klein ven of duinkom. Achter de duinenrij
lagen destijds vennen, waar het water geen uitweg vond. Ook onder de huidige
binnenstad lagen talrijke vennen en moerassen.
In de loop der eeuwen was het ven langzaam volgeslibt met zand, waarbij ook
scherven mee werden gevoerd. In de onderste laag werden vooral scherven van
aardewerk uit de IJzertijd gevonden (ca.700 voor Chr. tot het begin van de
jaartelling). In de bovenste laag bevond zich vooral Romeins aardewerk.
Daarbovenop werden ook scherven uit de vroege middeleeuwen gevonden (7de-9de
eeuw)
Na de Parade is dit de tweede vindplaats uit de Romeinse tijd in of vlakbij het
centrum.
Dat de omgeving van Bergen op Zoom in de
Romeinse periode werd bewoond, was geen verrassing.
Al in de jaren ’70, bij het leggen van de persleiding aan het scheldestrand,
vonden amateurs Romeinse vondsten. De collectie van de heer Nijssen, nu in het
gemeentelijke depot, is daarvan de belangrijkste.
Maar de omgeving van de Kiek heeft ook regelmatig vondstmateriaal uit de vroege
middeleeuwen opgeleverd. De Brabantse Steilrand is dus door alle eeuwen heen een
aantrekkelijke plaats van bewoning geweest.
De Romeinse vondsten van de Kiek moeten nog
gereinigd en goed bestudeerd worden.
Er is al wel een aardige indruk van het materiaal. Interessant is het voorkomen
van heel verschillende soorten: grofwandige kookpotten, gladwandige bekers,
gevernist aardewerk en terra sigillata, het fijne roodbakkende aardewerk uit
Duitsland of Frankrijk. Veel ervan is te dateren in de 2de eeuw. Daarnaast zijn
er stukjes glas gevonden en fragmenten van daktegels. Een klein stukje kalk kan
afkomstig zijn van een gepleisterde muur.
Andere vondsten zijn een fibula (mantelspeld, een soort veiligheidsspeld waarmee
de mantel of omslagdoek werd vastgemaakt), een spinsteentje en een bronzen munt.
Maar
echt bijzonder is de vondst van een vingerhoed.
Die is gemaakt van gegoten brons en voorzien van kleine putjes, net als de
hedendaagse exemplaren. Middeleeuwse vingerhoeden werden doorgaans uit een
stukje brons of messing gehamerd, niet gegoten. Het is de eerste Romeinse
vingerhoed die ooit in Nederland is gevonden. Alleen uit Engeland zijn
vergelijkbare vingerhoeden bekend.
Ongetwijfeld is de nabije omgeving van het
vennetje eeuwenlang, maar waarschijnlijk wel met onderbrekingen, bewoond geweest.
Zowel tijdens als na de verschillende bewoningsfases is het ven langzaamaan
dichtgeslibt en dichtgestoven. Helaas is het nog niet gelukt om in de nabijheid
van het vennetje sporen van bebouwing te vinden. De kans hierop is niet groot.
Als de gebouwen op een heuvel hebben gestaan, zijn er na de afgravingen helemaal
geen sporen meer van bewaard gebleven. Eventuele paalgaten zijn dan
waarschijnlijk weggegraven.
De grootschaligheid van het egaliseren is goed zichtbaar in het bosje aan de
noordrand van de voormalige renbaan. De grond is daar meer dan 3 meter
kunstmatig opgehoogd, hoogstwaarschijnlijk tijdens de aanleg van het hoornwerk
in de 17de eeuw. In de bosgrond bevinden zich dan ook vondsten uit de IJzertijd,
middeleeuwen en moderne tijd, allemaal door elkaar heen gemengd. In dat opzicht
biedt het bosperceel geen archeologische verrassingen meer, want er zit geen
samenhang meer in deze vondsten.
Proefsleuven hebben tot op heden evenmin een tweede ven aangetoond. Het is dus
puur geluk dat er nog iets bewaard is gebleven.
Het laatste restant van het vennetje zal in het komende jaar nog worden
opgegraven en onderzocht.
|
|
||
|
Deze pagina's zijn het beste te bekijken in 1024*768. Laatste wijziging op 12-12-2005. Webmaster vanderkallen@home.nl |
||